
Marianne
16 Aug 2021
(introductie voor dit verhaal)
Mijn moeders vrijheid werd haar ontnomen toen zij als 16-jarige, samen met haar moeder, jongere zusjes en broertje, terecht kwam in één van de vele Japanse vrouwenkampen op Sumatra. Gescheiden van haar vader en oudere broers.
Vanaf dat moment was er niets meer over van haar gelukkige leven in het haar zo geliefde Indië. Overleven werd haar tweede natuur.
Naarmate de tijd vorderde, werd het leven in de kampen zwaarder en zwaarder. Als klein kind hoorde ik spannende verhalen over smokkelen en eten stelen, maar ook verhalen over gestraft worden door urenlang in de brandende zon te moeten zitten of nog erger.
Praten over haar grootste trauma deed ze echter niet.
Hoe langer de gevangenschap duurde, hoe minder eten ze kregen. Mijn moeder probeerde iedere dag weer aan wat extra’s te komen voor het gezin. Op een dag werd ze gesnapt door een groepje Japanse bewakers. Dit kwam haar duur te staan. Ze werd gruwelijk te grazen genomen en misbruikt. Haar vrijheid was ze al kwijt, maar op dat moment werd ook haar vrouw zijn haar ontnomen. Dit heeft een enorme wond bij haar achtergelaten. Een wond die ze nooit meer heeft kunnen helen.
Op 23 augustus 1945 kregen ze te horen dat ze waren bevrijd. Enige tijd later mochten ze het kamp verlaten maar hadden niets meer om naar terug te keren. Het gezin werd herenigd. Alleen haar oudste broer ontbrak, hij was omgekomen tijdens het werken aan de Birma-spoorlijn. Vervolgens werden ze gerepatrieerd naar Nederland.
De oorlog was dan wel over, maar de oorlog in mijn moeder zou als een diepe wond de rest van haar leven in haar aanwezig blijven. Zij heeft nooit meer haar vrijheid kunnen vinden.
Twaalf jaar later werd ik als jongste en enig meisje geboren. Van jongs af aan voelde ik (onbewust) de zwaarte van het trauma van mijn moeder. Mijn moeder die zulke gruwelijke dingen had meegemaakt in het Jappenkamp, kon mij geen liefde en aandacht geven. Ze kon mij zelfs niet in haar buurt velen want als meisje deed ik haar denken aan het trauma dat zij als jonge vrouw in het kamp had opgelopen. De gevoelens die het bij haar opriepen, kon ze niet aan. Mijn meisje zijn werd ontkend.
Ik wilde zo graag haar liefde voor mij voelen dat ik het onbewust op me nam om haar trauma mee te dragen. Ik wilde ervoor zorgen dat zij gelukkig werd, wat ik natuurlijk helemaal niet kon.
Toen ikzelf 16 werd kreeg ik last van enorme angsten en lichamelijke klachten. Ik voelde me nooit veilig. Langzaam kwam het besef dat ik op zoek moest naar mezelf. Dit was niet gemakkelijk want ik was door alle afwijzingen enorm vervreemd en bang geworden van mijn eigen lichaam en het vrouw zijn.
Jaren van therapie en zelfonderzoek volgden. Met vallen en opstaan vervolgde ik mijn eigen weg. Inmiddels was duidelijk geworden dat de oorlog van mijn moeder ook sporen bij mij had achtergelaten.
Lange tijd heb ik erover gedaan voordat ik het kleine, inmiddels zelf getraumatiseerde meisje in mezelf kon aankijken. Het helemaal omarmen duurde nog langer. En juist dit was nodig om mezelf te helen. In de tussentijd was ik zelf moeder geworden en had ik niet kunnen voorkomen dat ook een deel van het trauma van mijn moeder via mij bij mijn zoon terecht kwam.
Toen hij 16 was kwamen ook bij hem angsten naar boven die ik zo goed van mezelf kende. Gelukkig koos ook hij ervoor om met therapie deze angsten aan te kijken.
Het was nodig om alle gevoelens van het kleine afgewezen meisje in mij, volledig toe te laten en te doorvoelen. Dit maakte dat ik mijn hart weer durfde te openen. De jas die ik had aangetrokken en die niet de mijne was, liet ik in stukjes van me af vallen. In een keer uitdoen kon niet want al die tijd had ik mij hiermee geïdentificeerd. Beetje bij beetje mocht ik ontdekken wie ik was zonder die jas en kon het schuchtere kleine meisje in mij tevoorschijn komen en stappen zetten. Toen ik dit kleine meisje helemaal kon omarmen kon ik ook mezelf omarmen, liefhebben en uit de schaduw van mijn getraumatiseerde moeder stappen. Ook mijn zoon zette de stappen die voor hem nodig waren.
We mogen zijn wie we zijn, dat is genoeg. Het familieverhaal hoeft niet meer op onze schouders meegedragen te worden. Ik, wij en de volgende generaties mogen geloven in een leven vanuit kwetsbaarheid en liefde.